
Het woord authenticiteit duikt tegenwoordig overal op. In gesprekken over leiderschap. In trajecten rond persoonlijke ontwikkeling. In oproepen om “je authentieke zelf te laten zien”. Telkens wanneer het woord valt, voel ik bij mezelf een lichte frons ontstaan. Niet omdat ik iets heb tegen eerlijkheid, eigenheid of integriteit, maar omdat ik steeds vaker merk dat het begrip authenticiteit wel makkelijk klinkt en tegelijk zo moeilijk klopt.
Want wat bedoelen we eigenlijk wanneer we iemand vragen “authentiek te zijn”? Of wanneer we uitnodigen je “authentieke zelf” te ontdekken? En waarom schuurt dat zo, juist als je vertrekt vanuit het sociale en talige karakter van mens-zijn? Ik probeer hieronder mijn ongemak wat verder uit te pakken.
De mythe van een te ontdekken kern
Veel ideeën over authenticiteit gaan uit van een beeld van de mens als drager van een soort innerlijke kern. Een oorspronkelijke en te ontdekken waarheid over wie je echt bent. Alsof ergens onder de lagen van rollen, ervaringen, contexten en verhalen een soort essentie schuilt die gevonden wil worden.
Maar hoe meer ik werk vanuit een sociaal-constructionistisch perspectief, hoe minder dat beeld klopt. In het werk dat ik doe, ontmoet ik mensen steeds opnieuw in hun meervoudigheid. We worden niet geboren met één identiteit die we onderweg kwijtraken en later moeten terugvinden. We worden iemand in relaties, in taal, in interactie, in de situaties die ons uitdagen en uitnodigen.
Als identiteit een voortdurend gesprek is, hoe kan authenticiteit dat een vaste en objectief vast te stellen uitkomst zijn?
De opdracht die vernauwt
Daarbij komt dat de oproep om “authentiek te zijn” vaak functioneert als een norm. Alsof er een juiste manier bestaat om jezelf te tonen. Een manier die spontaan, puur en ongefilterd hoort te zijn. Maar precies dat maakt het woord zo verraderlijk: het klinkt bevrijdend, terwijl het in de praktijk vaak eerder verkrampt.
Want hoe ben je “echt” op commando? Hoe toon je wat waarachtig is, wanneer dat precies is wat onder druk komt te staan zodra iemand erom vraagt? Authenticiteit wordt op die manier niet een uitnodiging, maar een toetssteen. Een meetlat waar je jezelf tegen moet houden en net in spannende situaties vaststellen dat je tekortschiet.
Mens-zijn als meervoudigheid
Wat mij veel meer helpt, is het idee dat we niet één “zelf” hebben, maar een verzameling stemmen, rollen en mogelijkheden. Dat wat we “ik” noemen, is geen monoliet maar een mozaïek. Soms laat één stukje zich zien, soms een ander. Afhankelijk van wie we ontmoeten, wat er op het spel staat en welke verhalen op dat moment krachtiger klinken.
In die meervoudigheid ontstaat ruimte. Geen zoektocht naar een kern die ergens verborgen ligt, maar een voortdurende afstemming met jezelf en de omgeving. Een beweging, geen bestemming.
Van authenticiteit naar afstemming
Misschien is dat wel waarom authenticiteit me steeds minder aanspreekt: het suggereert iets te moeten vinden, terwijl ik in mijn werk juist leer dat betekenis ontstaat door verbinding. Om het met de woorden van Ken Gergen te zeggen: we zijn een “relational being”. Onze identiteit is niet geworteld in een individu, maar komt voort uit de relaties en interacties met mensen. Alles wat we als “zelf” beschouwen, ontstaat in een web van relaties. Door gesprekken die licht zetten op wat mogelijk is. Door situaties waarin we elkaar uitnodigen een nieuwe versie van onszelf te proberen.
Wat ik zoek, is niet een authentieke kern, maar congruentie: een gevoeligheid voor wat klopt in het moment. Een eerlijkheid in hoe je je beweegt tussen verwachtingen, emoties en intenties. Een bereidheid om zichtbaar te worden in je pogingen, in plaats van in je zekerheden. Daarin ligt onze opdracht: in het voortdurend afstemmen als deelnemer in een relationeel veld, waarmee we zowel onszelf als dat veld continu mee vormgeven.
De vrijheid van het wordende
Misschien helpt het om het woord authenticiteit niet te zien als iets dat je moet vinden, maar als iets dat je samen maakt. In elk gesprek opnieuw. In elke situatie die je uitnodigt om even stil te staan en te luisteren naar wat zich aandient.
Dan verandert de vraag van: “Wie ben ik echt?”, naar “Wat wordt er hier mogelijk als ik me laat raken, bewegen, verrassen?”. Dat is voor mij een veel vriendelijkere vraag. En tegelijk een veel moedigere.
Inspiratie:
Gergen, K.J. (2009). Relational being: Beyond self and community. Oxford University Press.
